Stedelijke regio’s en de RIS: hoe staat de culturele infrastructuur er voor in de regio?

De Raad voor Cultuur pleitte in november vorig jaar voor meer aandacht voor culturele plannen uit de stedelijke regio’s en onderzocht de mogelijkheden voor een herijking van het bestel door toevoeging van een regionale culturele infrastructuur (RIS) (als aanvulling op de Culturele Basisinfrastructuur, de BIS). Minister Van Engelshoven (Cultuur) neemt dit advies niet over, maar onderschrijft wel de behoefte aan een betere samenwerking van het rijk met de stedelijke regio’s.

Al sinds het begin van ons na-oorlogse cultuurbeleid wordt er geprobeerd het culturele aanbod buiten de randstad te laten groeien. Door onder andere een reisverplichting voor randstedelijke gezelschappen en specifieke maatregelen op provinciaal, gemeentelijk en landelijk niveau werd getracht het cultuurbereik in de regio te vergroten en te verbreden, door de jaren heen met wisselend resultaat.

De meeste culturele organisaties zitten ook nu nog steeds in de randstad, maar daarbuiten bestaat een rijk, en almaar groeiend, cultuuraanbod. Dat zien we als vacature-site ook terug in onze cijfers; waar eerst alle rode markers op onze kaart vochten voor een plaatsje in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag, zien we nu een veel diverser beeld.

De Friese festivals kwamen onlangs met een manifest dat vroeg om een meer structurele verbinding met de rest van ons land. Leeuwarden als Culturele Hoofdstad heeft namelijk volgens hen weliswaar een goede aanjagende werking op het culturele aanbod in de provincie, maar deze nieuwe impuls moet wel worden omgezet in een structureel ‘open’ sector, met financiële draagkracht en sterke banden met onder andere het randstedelijke aanbod, willen de festivals er ook na dit jaar profijt van hebben.

Culturele vacatures sprak naar aanleiding van deze ontwikkelingen met vertegenwoordigers van culturele organisaties in ‘de regio’. Hoe staat de culturele infrastructuur er voor in hun omgeving? Bestaat er genoeg aansluiting met de rest van ons land? En: zien zij iets in een RIS?

Wij spraken met Maaike Frencken, consulent PR & communicatie bij het Huis voor de Kunsten Limburg, en Nicolle van Lith, beleidsmedewerker cultuur bij de provincie Limburg en lid van de raad van toezicht bij Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) over het cultuurbeleid in Limburg. Voor de regio Groningen en Drenthe komt Marieke Vegt, directeur van K&C, expertisecentrum en projectorganisatie kunst en cultuur aan het woord. Ook hadden wij contact met Connie Verberne, tot april 2018 directeur-bestuurder van Cultuurmij Oost in Gelderland. Tot slot bekeken wij het bidbook BrabantStad Cultuur dat de wethouders Cultuur van Breda, Eindhoven, Helmond, ‘s-Hertogenbosch, Tilburg en de gedeputeerde Cultuur van de provincie Noord-Brabant (samen BrabantStad Cultuur) op 6 juni 2017 aan minister Bussemaker overhandigden, en spraken wij met Chris van Koppen, huidig directeur-bestuurder van brabants kenniscentrum kunst en cultuur (bkkc) en vanaf 1 juni 2018 directeur-bestuurder van de nieuwe fusieorganisatie van bkkc en Kunstbalie.

Maaike Frencken: “Het unieke aan Limburg is de connectie met de Euregio. Limburg heeft uiteindelijk meer grensgebied met België en Duitsland dan met de rest van Nederland, al zegt dat niets over de relevante van die connectie natuurlijk. Er bestaan hier redelijk wat evenementen en instellingen die veel publiek van over de grens trekken.

Ik vind de huidige aandacht voor cultureel ondernemerschap op zich een goede ontwikkeling: het noodzaakt instellingen om kritischer naar hun bedrijfsvoering te kijken en maakt ze creatiever. – Maaike Frencken

De provincie Limburg zet erg in op cultuureducatie en er bestaat een nauwe samenwerking met het LKCA. Limburg was ook in de ‘race’ om een Culturele Hoofdstad aan te wijzen, en een deel van het geld dat daarvoor gereserveerd was is nu – weliswaar erg gespreid – weer teruggestopt wordt in de cultuursector. Dat is mooi. We zijn ook de enige provincie waar geen bezuinigingen plaatsvinden op de sector, in dat opzicht mogen we eigenlijk niet klagen. Tegenwoordig kijkt de provincie naar mijn idee kritischer naar de aanvragen van culturele instellingen. Dat is niet per se verkeerd; sommige organisaties kregen eerder misschien wel heel gemakkelijk subsidie. Toch heeft er ook hier een soort kaalslag plaatsgevonden door de eerdere, landelijke bezuinigingen.

De overheid hecht nu meer belang aan cultureel ondernemerschap. Ook stimuleert zij het gebruik van de bestaande crowdfundingsregeling; als een organisatie via crowdfunding 70% van zijn budget kan bereiken, dan matcht de provincie dat met de overige 30%. Ik vind dit op zich een goede ontwikkeling: het noodzaakt instellingen om kritischer naar hun bedrijfsvoering te kijken en maakt ze creatiever.

Ik snap het punt van de Friese Festivals echter wel; je wilt aan een goede infrastructuur kunnen bouwen en zonder bang te hoeven zijn dat je middelen na dit jaar ineens weer wegvallen. In Limburg gaat het naar mijn mening echter goed: er gebeurt heel veel. De popmuziek is bijvoorbeeld een actieve scene, en er is net extra geld geïnvesteerd in het muziekonderwijs, via Masterplan Muziekonderwijs Limburg DOOR!. Muziek is hier belangrijk, deels dankzij onze traditie op het gebied van het verenigingsleven met haar harmonieën en fanfares.

Er zijn ook een aantal ontwikkelingen gaande waarvan de uitkomst nog niet vaststaat, maar die wel veel positieve dingen beloven: zo coördineert het Huis voor de Kunsten nu de oprichting van een Erfgoedcoöperatie. De provincie was van mening dat het publieksbereik op erfgoedgebied te minimaal en versnipperd was en dit moet zorgen voor meer samenwerking.

Meer samenwerking en afstemming is ook het uitgangspunt voor de Stedelijke Cultuurregio Zuid, ook in oprichting. Dat haakt in op de verkenningen van de Raad voor Cultuur voor een RIS: er wordt gewerkt aan het stroomlijnen en stimuleren van de samenwerking tussen gemeenten en provincie door een gezamenlijke beleidsvisie te vormen.

In Limburg gebeurt eigenlijk over de hele breedte wel iets. Het is fijn dat de provincie hier ruimte voor geeft en aandacht heeft voor duurzaamheid; ik heb tenminste het idee dat er deze keer een groot deel is meegenomen uit de beleidsplannen van de vorige vierjarige cyclus.”

Nicolle van Lith, lobby en beleid kunsten bij de provincie Limburg en lid van de raad van toezicht bij Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA): “In Limburg – en dan heb ik het vooral over de stedelijke regio Sittard-Geleen, Heerlen en Maastricht – zitten vergeleken bij bijvoorbeeld Amsterdam maar enkele grote gezelschappen of culturele instituten. Dat zijn vooral BIS-instellingen zoals philharmonie zuidnederland, Het Laagland en Toneelgroep Maastricht. Deze gezelschappen hebben (net) genoeg ‘vlees op de botten’ om ook landelijk te opereren en zijn daardoor ook zeer van betekenis voor de andere instellingen in deze omgeving. We kennen veel middelgrote en kleine culturele organisaties of makers die niet door de BIS maar door bijvoorbeeld de Rijkscultuurfondsen ondersteund worden. Dit alles maakt onze culturele infrastructuur heel divers. Veel organisaties in het middensegment zijn in de wederopbouwperiode aangekomen, na de forse bezuinigingen is er nu weer ruimte om te groeien. Het bruist in Limburg. Maar, de kleine en middelgrote gezelschappen missen soms, door gebrek aan financiële draagkracht, hun werking en of uitstraling in de Euregio en de rest van ons land.

Veel organisaties in het middensegment zijn in de wederopbouwperiode aangekomen, na de forse bezuinigingen is er nu weer ruimte om te groeien. Het bruist in Limburg. Maar, de kleine en middelgrote gezelschappen missen soms, door gebrek aan financiële draagkracht, hun werking en of uitstraling in de Euregio en de rest van ons land. – Nicolle van Lith

We gaan zeker aan deze minister (Ingrid van Engelshoven van Cultuur, red.) vragen om meer versteviging van onze infrastructuur, bijvoorbeeld door het aandragen van nieuwe instellingen die een plek kunnen krijgen in de BIS. Dat is een rechtvaardige vraag, want in tegenstelling tot andere provincies hebben wij de laatste tijd in plaats van te bezuinigen juist méér geïnvesteerd in de cultuur. De oproep van de Minister in haar visiebrief is staande praktijk in Limburg, de steden binnen de Stedelijke Cultuurregio Zuid en de provincie Limburg investeren samen volop in cultuur.

Om talentontwikkeling en groei te blijven bevorderen en het een plek te geven in ons culturele ecosysteem hebben wij, als antwoord het wegvallen van de productiehuizen, Via Zuid in het leven geroepen; een ‘hybride’ productiehuis met een makelaarsfunctie. Via Zuid heeft geen stenen jasje, maar is daar waar de makers zijn en stimuleert zo de jonge generatie. Ik weet dat meer provincies dit nu ook willen gaan ontwikkelen, er is alleen (nog) geen geld voor. Ik weet dan ook zeker dat we dit idee in een heleboel beleidsplannen voor de regionale profielen terug gaan zien de komende tijd.

Kinderen en jongeren moeten niet alleen in aanraking kunnen komen met kunst en cultuur, maar er ook een gevóel bij kunnen ontwikkelen. Genoeg ruimte voor cultuureducatie en amateurkunst helpt daarbij, daarom investeren wij daar veel in. – Nicolle van Lith

Wij zijn net als Friesland een provincie waarbij de cultuureducatie en amateurkunst dicht bij de culturele omgeving staan. Dat maakt het profiel van deze stedelijke regio’s heel interessant. De minister ziet dat ook graag, naar mijn inschatting. Je hebt die verbinding nodig om het publiek van de toekomst – de kinderen en jongeren van nu – te kunnen raken. Ze moeten namelijk niet alleen in aanraking komen met kunst en cultuur, maar er ook een gevóel bij kunnen ontwikkelen. Genoeg ruimte voor cultuureducatie en amateurkunst helpt daarbij, daarom investeren wij daar veel in.”

Dan een opinie van de andere kant van het land: Marieke Vegt is directeur van K&C, expertisecentrum en projectorganisatie kunst en cultuur in Groningen en Drenthe. Zij is voorstander van meer zeggenschap voor de stedelijke regio’s, alhoewel zij liever spreekt over provinciale regio’s.

Er gebeurt heel veel moois in het Noorden dat deels onzichtbaar blijft voor de rest van Nederland. Er bestaat een divers en onderscheidend cultureel aanbod in het Noorden, waar ik heel trots op ben. Wij hebben een ijlere infrastructuur dan bijvoorbeeld Amsterdam, maar een hoge productie. – Marieke Vegt

Marieke Vegt: “Er gebeurt heel veel moois in het Noorden dat deels onzichtbaar blijft voor de rest van Nederland. Dat ligt ook aan onszelf; het ligt niet in de aard van de noorderlingen om ontzettend naar voren te treden en onszelf op de borst te kloppen met waar wij goed in zijn. Aan de andere kant lijkt voor veel mensen uit de Randstad Zwolle wel de meest noordelijke stad van ons land: alles daarboven is onoverbrugbaar ver.

Toch is er wél een divers en onderscheidend cultureel aanbod in het Noorden, waar ik in ieder geval heel trots op ben. Wij hebben een ijlere infrastructuur, maar een hoge productie. Vergeleken met het Westen zijn wij ook heel sterk in samenwerking – we hebben elkaar als Noordelijke provincies nodig – daar kan men in de randstad eigenlijk nog wat van leren.

Ook bijzonder aan onze provinciale regio is de connectie natuur-cultuur. Denk aan theaterfestival Oerol, fotomanifestatie Noorderlicht of Into Nature (tweejaarlijkse beeldende kunstroute waarbij 25 internationaal aansprekende kunstenaars hun werk tonen in de openbare ruimte op de grens van Drenthe, Friesland en Overijssel). Dat laatste is deze zomer in het zuiden van Drenthe, trouwens. Ik hoop dat meer mensen bereid zijn die afstand te overbruggen. Wat dit betreft hebben wij iets bijzonders in handen: de manier waarop wij natuur en cultuur verbinden is onderscheidend en voegt een mooie extra dimensie toe aan ons culturele aanbod.

Ik vind de RIS een fantastische ontwikkeling maar wel als aanvulling op de BIS. Via de RIS kunnen regionale instellingen en BIS-instellingen programmatisch gaan samenwerken. Als noordelijke provincies doen wij dit in feite al. Als de landelijke overheid dat met deze regeling herkent en erkent dan betekent dat alleen maar meer mogelijkheden, en dat is een goede zaak. – Marieke Vegt

Ik vind de RIS een fantastische ontwikkeling maar ik wil wel toevoegen dat ik de RIS als aanvulling zie op de BIS. Via de RIS kunnen regionale instellingen en BIS-instellingen programmatisch gaan samenwerken. De programma’s moeten we noordelijk gaan bepalen. Wij lopen hier als noordelijke provincies in feite al op vooruit; we waren de eersten in Nederland die begonnen met deze manier van samenwerken. De samenwerking tussen de drie noordelijke provincies is al op gang gebracht onder de titel We the North, met acht programmalijnen. Er is ook al een financieel fonds opgezet om programmatisch innovatieve projecten te stimuleren en de kracht van wat ons onderscheid als stedelijke regio meer ruimte te bieden. Wij vinden elkaar op deze manier. Als de landelijke overheid dat met deze regeling herkent en erkent dan betekent dat alleen maar meer mogelijkheden, en dat is een goede zaak.

Een voorbeeld is de extra impuls die Friesland, Groningen en Drenthe gezamenlijk geven aan cultuureducatie. We willen een Noordelijke cultuuracademie starten waarin alle nascholing voor leerkrachten, kunstvakdocenten en schoolleiders, maar ook zelfstandige kunstenaars die in het onderwijs (willen) werken wordt ondergebracht. We werken hierin samen met BIS-instellingen en de Hogescholen. Goede scholing is een langetermijn-investering in de borging van goed cultuuronderwijs. De matchingsregeling Cultuureducatie met Kwaliteit is natuurlijk ook een vorm waarmee landelijk beleid aansluit op het regionale. De regeling wordt in het Noorden gezamenlijk opgepakt en het bereik van scholen is enorm (gemiddeld meer dan 80 % van de basisscholen doet mee). Ik stel me voor dat een RIS op dezelfde wijze bijdraagt aan een veel groter bereik van kunst en cultuur.”

In Brabant bestaat al langer een sterke samenwerking tussen gemeenten en provincie, met een discipline-overschrijdende focus en ruimte aan vernieuwende structuren. Uit het Bidbook Nationale Culturele Proeftuin BrabantStad, dat tijdens het overleg van de minister Bussemaker van OCW en de BrabantStad-bestuurders op 6 juni 2017 aan de minister werd overhandigd: “In BrabantStad opereert slechts een klein aantal BIS-instellingen van het Rijk, maar het culturele leven is rijk en de lokale binding sterk. BrabantStad combineert internationale topinstellingen met een sterke maatschappelijke positie van kunst en cultuur door verbindingen met andere domeinen.”

Zij zijn dan ook sterk voorstander van een meer regionaal gedreven infrastructuur: “We hebben bewezen voorloper te zijn in de ontwikkeling van een op de regio geïnspireerde culturele infrastructuur. De goede ervaringen in Brabant met de ‘impulsgeldenregeling’ heeft navolging gekregen in het landelijke programma ‘The Art of Impact’. Het concept “buurtcultuur” zoals dat nu ook landelijk door het Prins Bernard Cultuurfonds wordt omarmd, heeft zijn oorsprong in Brabant. We hebben een breder palet aan financieringsinstrumenten voor de culturele sector weten te ontwikkelen, waarin naast subsidies in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van crowdfunding, garantstellingen en leningen.”

Zo is de provincie, zo stelt BrabantStad, al een eind op weg: “De voedingsbodem ligt er. Evenals een breed in de (stads)regio-gedragen aanpak. Presentatie-, podium- en ondersteuningsinstellingen gaan met overheden, bedrijven en private partijen voor een aanpak die op veel fronten echt anders is.” Voor deze werkwijze is meer steun van het Rijk zeer gewenst: “Begin 2014 is Brabant als enige Nederlandse regio toegelaten tot het internationale netwerk Districts of Creativity het zogenaamde DC Network. Hier werken veertien internationale regio’s in samen. Brabant is op het gebied van innovatie een Europese topregio. Daardoor ontstaan er juist regionaal vaak heel bijzondere samenwerkingsvormen tussen verschillende disciplines.

We merken echter dat de bestaande financieringssystematiek daar onvoldoende bij aansluit en zelfs deze samenwerking in de weg kan staan. De Raad voor Cultuur erkent deze mismatch tussen landelijke fondsen en de regionale behoefte aan ruimte voor vernieuwing en multidisciplinair werken. Wij roepen ter voorbereiding van de kunstenplanperiode vanaf 2021 een taskforce Culturele regio BrabantStad in het leven. Wij doen u (minister Bussemaker, red.) hierbij het aanbod om hier vanuit het rijk bij aan te sluiten om voorstellen te ontwikkelen hoe de toekomstige samenwerking die recht doet aan de behoefte vanuit onze regio, in de toekomst kan werken.”

Chris van Koppen, directeur-bestuurder van bkkc, vanaf 1 juni 2018 directeur-bestuurder van de nieuwe fusieorganisatie van bkkc en Kunstbalie, benadrukt hoe regionale ontwikkelingen in het Brabantse cultuurbeleid hun weg hebben gevonden naar landelijk beleid en bepleit meer financiële slagkracht voor deze aanpak.

bkkc

Sinds de landelijke bezuinigingen zijn wij als provincie Brabant begonnen onze subsidies programmatischer in te zetten: te oordelen met het oog op bredere beleidsdoelen en de profilering van de provincie. Veel beleid dat wij naar aanleiding hiervan ontwikkeld hebben, zien we nu ook landelijk terug. – Chris van Koppen

Chris van Koppen: “Ik wil in deze context vooral graag beklemtonen dat de provincie Brabant de afgelopen zeg zes jaar, los van de regio-gedachte, al bezig is met een vernieuwing binnen het cultuurbeleid. Toen Halbe Zijlstra in 2013 met de botte bijl tekeer ging heeft Brabant – net als Limburg overigens – níet bezuinigd op cultuur maar is zelfs meer gaan besteden. Het verschil in beleid is dat de provincie die extra investeringen gerichter is gaan inzetten. De cultuursector is altijd erg gericht geweest op projectsubsidies en -programma’s, die door commissies op ‘culturele waarde’ werden geschat. Wij zijn juist begonnen om onze subsidies programmatischer in te zetten: te oordelen met het oog op bredere beleidsdoelen en de profilering van de provincie.

Het geld dat de provincie beschikbaar had gesteld om Eindhoven als Culturele Hoofdstad te faciliteren, is ‘teruggegeven’ aan de cultuursector door het in het cultuurfonds Brabant C onder te brengen. Ook dit wordt nu programmatisch besteed. In plaats van de nadruk te leggen op het project waar subsidie voor wordt aangevraagd, vragen wij makers naar de lange termijn: waar brengt deze financiële ondersteuning jullie in vier, vijf jaar? Welk ‘resultaat’ mogen we verwachten voor de culturele infrastructuur? Zo maken we gericht beleid op vooraf gedefinieerde punten.

Deze aanpak blijkt zijn vruchten af te werpen. In de culturele planperiode vanaf vorig jaar is de hoeveelheid rijksgeld die we te besteden hebben ongeveer verdubbeld – het is nog steeds veel te weinig, overigens –, en de nieuwe partijen die ondersteuning krijgen zijn stuk voor stuk organisaties die de afgelopen vier jaar door ons als provincie zijn aangemoedigd via impulsgelden en Brabant C.

Wat ik zelf erg leuk vind is dat we de dingen die wij de afgelopen jaren op deze manier ontwikkeld hebben, nu ook landelijk terug zien. Wij zijn bijvoorbeeld afgestapt van de voornamelijk schriftelijke communicatie bij het aanvragen van subsidies. Wij praten niet óver de makers, maar mét hen: ze komen hun project als het ware verdedigen voor een jury, waarbij ze hun ideeën kunnen toelichten en onze vragen beantwoorden. Daarnaast maken we tegenwoordig ook scherpere afspraken: naast het artistieke project worden er bij subsidie-toekenning ook kaders gesteld voor toekomstige kennisdeling. Beide werkwijzes zien we nu in landelijk beleid terugkomen.

Wij zijn dan erg voorstander van een fusie van de grote fondsen. Hokjesdenken is niet meer van deze tijd, kunst laat zich niet in een hokje stoppen.” – Chris van Koppen

We spreken als provincie graag van een ‘proeftuin’ voor een nieuwe samenleving, of in dit geval voor een nieuw cultuurbeleid. Nadat de productiehuizen om zeep waren geholpen hebben we hier bijvoorbeeld een nieuw systeem voor bedacht: Talenthub Brabant. Podia, galeries, festivals, gezelschappen en andere partijen maken nu een selectie van wie zij op dat moment veelbelovend vinden, en bieden deze talenten middelen om zich te ontwikkelen. Dit omvat financiële ondersteuning, coaching, netwerk én speel- of tentoonstellingsplekken. Het is een model waarbij meerdere partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkeling van een talent en dus in langer lopende trajecten maatwerk bieden.

We hopen dat het rijk vanaf 2019 aan dit soort ‘proeftuinen’ zou willen bijdragen. Als provincie vinden wij sowieso dat er vanuit het rijk te weinig in Brabant geïnvesteerd wordt. Onze ondernemers kunnen zich er erg over opwinden. Tenslotte is Eindhoven inmiddels belangrijker voor de economie dan de Rotterdamse haven of Schiphol. Iets meer evenwicht, landelijk gezien, zou geen kwaad kunnen. Er zijn nu zelfs geen rijksmusea beneden de grote rivieren! Maar goed, dat is een andere discussie.

We werken in Brabant veel op het snijvlak van meerdere disciplines en in verbinding met andere domeinen zoals zorg en ruimtelijke kwaliteit. In combinatie met de huidige fondsenstructuur blijft dit problemen opleveren. Wij zijn dan ook erg voorstander van een fusie van de grote fondsen. Hokjesdenken is niet meer van deze tijd, kunst laat zich niet in een hokje stoppen.”

Connie Verberne, tot april 2018 directeur-bestuurder van Cultuurmij Oost in Gelderland, vindt dat de nadruk op de stedelijke regio’s maar een deel van het verhaal vertelt. Ze benadrukt dat in de nieuwe opzet in ieder geval ook de samenwerking tussen landelijke, provinciale en lokale instellingen essentieel is voor innovatie en de ontwikkeling van de landelijke regio’s.

Connie Verberne: “Er wordt nu veel gesproken over ‘stadsregio’s’, alsof de steden een veel breder, namelijk regionaal bereik zouden hebben dan ze feitelijk hebben. Provinciale instellingen zoals de onze vervullen een schakelrol tussen landelijk en lokaal. Met advies, netwerken, kennis en co-creatie hebben we een groot bereik in Gelderland, vooral buiten de vier grotere steden (Arnhem, Nijmegen, Ede en Apeldoorn), waar meer dan de helft van de Gelderse bevolking woont. Er gebeurt juist daar heel veel goeds dat om meer vraagt in de gemeenten in de Gelderse regio’s: je hebt dat bovenlokale cq provinciale niveau nodig voor effectieve samenwerking op het gebied van bijvoorbeeld scholing, netwerken en co-creatie in innovatiepilots.

Met de eenzijdige aandacht voor stadsregio’s gaan er gebieden tussen wal en schip vallen. Je hebt overzicht, kennis van de regio en slagkracht nodig, op provinciaal niveau, om iedereen te kunnen blijven bedienen. – Connie Verberne

In de discussie wordt gedaan alsof de steden het gebied eromheen makkelijk zullen bereiken, maar dit zal niet gebeuren. In de rapporten vind je ook kaartjes, waar je nu al op ziet dat bijvoorbeeld de Achterhoek en Rivierenland leeg blijven. De provinciale laag wordt in dit verhaal veel te weinig expliciet benoemd. Je hebt die connectie echt nodig, anders gaan er instellingen en regio’s tussen wal en schip vallen. Zo vragen bijvoorbeeld kleinere gemeenten veel advies op het vlak van de verbinding tussen het sociale en culturele domein, bij het handhaven van een duurzame culturele infrastructuur en bij het investeren in het (cultuur)onderwijs. Je hebt overzicht, kennis van de regio en slagkracht nodig, op bovenlokaal ofwel provinciaal niveau.

Wij ondersteunen als organisatie ook veel innovatieve projecten. Zonder onze schakelrol zouden die er gewoon niet komen. Op dit moment functioneren er cultuur- en erfgoedpacten per regio, waarbij gezamenlijke gemeenten met ideeën naar de provincie kunnen komen en behoorlijk wat provinciaal geld te besteden krijgen. In de Achterhoek lopen er mooie projecten op het gebied van ouderen en toerisme. In dit Achterhoekse geheel hebben wij als provinciale instelling een innovatieve rol gekregen door kunstenaars te verbinden aan gemeentelijke opgaven: impactproductie dus. Ook in de grote cultuureducatie-programma’s is deze overkoepelende input erg belangrijk: zonder de provinciale laag mis je de coördinatie en kennisdeling van het geheel. Dat is waarom die bovenlokale verbanden zo van belang zijn en blijven.

Met al die ‘stadsregio’s’ in de rapporten valt het woord ‘provincie’ nauwelijks. Dat vind ik kwalijk. De provincie steekt veel geld in de sector en heeft altijd een belangrijke spreidingsrol gespeeld. Daar is ze goed in, en dat moet ze blijven doen. – Connie Verberne

Als provinciale organisatie werken we in co-creatie aan participatie, educatie en talentontwikkeling; we verbinden kunst aan maatschappelijke en bedrijfsopgaves: dat stimuleert ook in de landelijke regio’s vernieuwing en samenwerking. Dat is onmisbaar. Begrijp me goed: ik vind de RIS in principe een prima idee; voor de stedelijke omgeving is het prima. Maar er gaan veel dingen buiten de boot vallen op deze manier. In Gelderland gaat er veel goed: en er zijn mooie, grote (BIS)gezelschappen die optreden in Zutphen of Tiel. Er is een sterk Productiehuis, dat ook voor Overijssel werkt. Dat is belangrijk en verdient stevige ondersteuning, maar zij gaan zich niet bezighouden met bijvoorbeeld de cultuureducatie en -participatie in de kleinere gemeenten. Voor serieuze ontwikkeling daarvan heb je dus andere organisaties nodig.

Met al die ‘stadsregio’s’ in de rapporten valt het woord ‘provincie’ nauwelijks. Dat vind ik kwalijk. De provincie steekt veel geld in de sector en heeft altijd een belangrijke spreidingsrol gespeeld. Daar is ze goed in, en dat moet ze blijven doen.

De laatste jaren werkten wij regelmatig in een samenwerkingsdriehoek van het LKCA, een grootstedelijk centrum voor de kunsten en Cultuurmij Oost. Op die manier komt er innovatie tot stand op de belangrijke thema’s. Een bekend voorbeeld is Cultuureducatie met Kwaliteit: het wordt landelijk ontwikkeld, provinciaal ligt de regie en kennisrol en daarna voeren lokale instellingen en scholen het uit. De grootstedelijke instellingen worden provinciaal actief betrokken bij kennisontwikkeling en –deling.

Een ander voorbeeld: door onderzoek is aangetoond dat veel jongeren erg geïnteresseerd zijn in cultuur. Maar die jongeren zie je niet in de traditionele cultuurcentra en verenigingen. Ze zijn wél te vinden in de urban arts en op stedelijke hotspots. In het kader van een groot gezamenlijk project met het LKCA en de ROZET Arnhem hebben wij onderzocht waar die jongeren zich bevinden en een manier gevonden om deze ‘non-formals’, gecertificeerd te krijgen op basis van hun werkervaring in de kunsten en op nieuwe plekken. Zo kunnen we deze autodidacten certificeren, wat hen én de sector weer toekomstperspectieven biedt. Dát soort innovatieve projecten, daarvoor heb je meer aandacht voor de ondersteunende infrastructuur nodig; de kracht van de stad in sámenwerking met de provincie en landelijke instellingen.”

Over dit onderwerp zijn we natuurlijk nog niet uitgepraat. De meningen van de professionals in de sector lopen danig uiteen. In elk geval is de discussie stevig op gang gebracht en staan de stedelijke regio’s volop in de aandacht. Het enige dat wij kunnen zeggen is dus: wordt vervolgd.

Heb je interesse in dit onderwerp? Lees ook Boekman #114, hierin wordt o.a. aandacht besteed aan de bestaande initiatieven van samenwerking op regionaal niveau. Bekijk ook het Berenschot-rapport naar de ondersteuningsstructuur voor de cultuursector dat in 2017 werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW.

Tekst: Nienke Piena
Foto’s: afbeelding expositie Brabant Wunderkammer – fotograaf Imara Angulo Vidal, afbeelding Chris van Koppen – fotograaf Hanneke van Oostaijen

, , , , , , , , , , , , , , , ,

Nog geen reacties.

Geef een reactie